Plus Ultra | Derivaten-, effecten- bestuurs- en strafrecht | 8 april 2026
“[H]et briefje van: “Koop nu aandelen X want morgen komt er een overnamebod” ga je niet vinden”.
P. van Gerwen, Autoriteit Financiële Markten, 27 januari 2016
Op 23 maart 2026 was de handel op de Amerikaanse derivatenbeurzen zo ongebruikelijk (lucratief) vlak voor een belangrijke melding van de President dat de verdenking ontstond van handel met voorkennis. De volgende dag meldt een Nederlandse omroep: “De Amerikaanse financiële waakhond SEC moet de zaak tot op de bodem uitzoeken”. Een soortgelijke oproep is ook in Amerika gedaan. Volgens een op 6 april 2026 gepubliceerd onderzoek van 210.000 transacties zouden, los van genoemde verdachte derivatenhandel, namelijk vermeende ingewijden vanaf 2024 tot en met 2026 op een voorspellingsmarkt gezamenlijk circa USD 143 miljoen hebben verdiend door te wedden op onder meer militair ingrijpen. De Nederlandse oproep is echter om andere redenen interessant.
Allereerst wordt de verkeerde toezichthouder genoemd. Dus de verdediging zou onmiddellijk wijzen op onbevoegdheid en het onderzoek en de zaak, nog vóór aanvang, doen eindigen. Maar nog interessanter aan deze oproep tot ingrijpen is de vraag wat Nederland zelf doet aan handel met voorkennis. In de spiegel kijken dus.
Alleszeggend is het bericht van 25 april 2025 over een voetbalclubdirecteur die, omdat hij vlak voor zijn aanstelling circa 17.000 clubaandelen had gekocht, van de Nederlandse toezichthouder vanwege handel met voorkennis het mag doen met een waarschuwing.
Dit is al vanaf het begin zo. Een krant van 3 april 1999: “Voorkennis ontbeert nog jurisprudentie. Achter het tien jaar jonge delict misbruik voorwetenschap staan nu twee veroordelingen.”
Dit gaat decennialang zo. Op 27 januari 2016: “Een zoektocht op rechtspraak.nl bevestigt het beeld dat handel met voorkennis strafrechtelijk lastig te bewijzen is. Klopt het dat handel met voorkennis eigenlijk bijna niet strafrechtelijk aangepakt kan worden?” Echt? Of heeft het meer te maken met de filosofie en aanpak van de autoriteiten?
Weer 10 jaar later op 25 maart 2026: “Is een misdrijf als handel met voorkennis eigenlijk te bewijzen?”
Dus al die decennia is de algemene opvatting in Nederland dat de “onmogelijke strijd tegen handel met voorkennis” is verloren, omdat die handel onbewijsbaar is.
Een Nederlandse professor “zegt dat handel met voorkennis moeilijk is hard te maken. “Om het echt te bewijzen, zou je in het hoofd van de belegger moeten kunnen kijken. En dat kan niet. Je zou eigenlijk aan moeten tonen dat degene die olie op dat moment kocht, iets wist wat alle andere beleggers nog niet wisten.”” Interessant. Vooral de opmerking “in het hoofd kijken” betekent dat de Nederlandse opvatting is dat mens rea, opzet, gedachtelezen vereist. Dat zou dan ook moeten gelden voor andere financiële delicten, maar deze bewijzen juist het tegendeel, zoals witwassen, dat in Nederland wel veel wordt vervolgd, ook met voorwaardelijk opzet en zelfs nalatigheid.
Wat in Nederland nog meer ontmoediging biedt, is het effect van de rechter op de toezichthouder. Vaak wanneer deze eindelijk besluit de “onmogelijke strijd” aan te gaan, verandert de rechter dat in een draconisch besluit door een drastische boeteverlaging of een totale nederlaag door volledige vernietiging.
Wat moet het Openbaar Ministerie (“O.M.”) met gezond verstand hieruit concluderen voor zijn strafrechtelijke bewijslast die nog zwaarder is dan de bestuursrechtelijke? Het makkelijkste excuus is het vermeend “bewijsprobleem” als grondslag voor een beroep op het opportuniteitsbeginsel om niet te vervolgen. Bij deze uitleg haken de meeste mensen al af. Als een verdwaalde onderzoeksjournalist doorvraagt, gewoon verder epibreren totdat die begint te gapen.
Het bewijsprobleem is zo overdreven dat het niet alleen onaannemelijk is maar ook ongeloofwaardig. Wat niet te bewijzen is, is het bewijsprobleem zelf. Het ligt meer aan de filosofie en aanpak van de autoriteiten, zoals bij de voetbalclub. En ook meer aan het feit dat er wel veel regels zijn maar dat gedogen het hoofdkenmerk is, niet alleen voor drugs. Dus een ommekeer van dit beleidspad wordt juridisch onmogelijk. Doe een beroep op het bestuursrechtelijk vertrouwens-, gelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel: die directeur heb je niet aangepakt, dus ik vertrouwde erop dat ik ook een waarschuwing zou krijgen, plus gelijke gevallen moeten op gelijke wijze worden behandeld, dus mij nu wel beboeten is een schending van de rechtszekerheid met onduidelijkheid, onvoorspelbaarheid en willekeur.
Met de Nederlandse aanpak hoeven internationale deskundigen niet te gissen wat er met voorkennis gebeurt bij omzetgesprekken met analisten en beleggers, vlak voor bekendmaking van cijfers, fusies en overnames, rentebesluiten, enzovoorts. Immers, volgens diezelfde aanpak is voor die gouden gans, a.k.a. flappentap, natuurlijk geen bewijs.
Als het Nederlands bewijsprobleem zo onmogelijk zou zijn, dan zou dat ook in de rest van de wereld of in elk geval in de Europese Unie zo moeten zijn. Dan moet worden onderzocht of de Europese bepaling en rechterlijke uitleg daarvan — bijna niet te vinden — bewijzen onmogelijk maken door een onmogelijke delictsomschrijving of een onmogelijke bewijslast. Zoals u zag, bestond in Nederland al vóór de Verordening marktmisbruik het aanpakprobleem. Of is de wet gewoon een dode letter of vitrinedecoratie en is gedogen lucratiever? U mag het zeggen.
Dat het bewijsprobleem een overdreven(,) slap excuus is, kunt u zien aan de decennialange waslijst aan Amerikaanse zaken bij rechters en autoriteiten. Hieronder kort één voorbeeld van 31 maart 2026 uit de vele Amerikaanse zaken. Let op de “onmogelijke strijd” en het “bewijsprobleem”. In het hoofd van de belegger kijken? U mag het zeggen.
De eerste verdachte was tegelijk voorzitter en operationeel directeur van een beursgenoteerd bedrijf. In die hoedanigheid verneemt hij via bestuursvergaderingen van de overname van het bedrijf voor USD 31 per aandeel. Dat is allemaal belangrijke informatie die nog niet openbaar is. In het kader van het vooronderzoek ondertekent hij een geheimhoudingsovereenkomst. Ook geldt voor hem het bedrijfsbeleid inzake handel met voorkennis met een specifieke geheimhoudingsplicht bij overnames. Voorts heeft het bedrijf een gedragscode met een specifiek verbod op handel op basis van informatie over een mogelijke overname van het bedrijf.
Hoewel hij al circa anderhalf jaar was gescheiden, bezoekt hij op de door de toezichthouder genoemde tijdstippen zijn ex-vrouw die 2 beleggingsrekeningen heeft. Hij koopt via haar rekeningen 17.255 aandelen van het bedrijf voor USD 379.125, gemiddeld circa USD 21.97 per aandeel, dus bijna USD 10 lager dan de overnameprijs van USD 31. Volgens de toezichthouder kocht hij met voorkennis. Om die te kunnen kopen, aldus de toezichthouder, verkoopt hij met verlies andere aandelen uit fondsen waarin hij heeft belegd.
Zou de toezichthouder in zijn hoofd hebben gekeken? Dat is niet nodig vanwege het bewijs. Na marktsluiting op de bekendmakingsdatum van de overname gaat hij weer naar zijn ex-vrouw en plaatst verkoopopdrachten voor de eerder gekochte aandelen. Die worden de volgende dag uitgevoerd tegen de slotkoers en leveren circa USD 145.772 aan winst op.
Lezen we de Nederlandse toezichthouder, dan zou de Nederlandse rechter dit vaak “allemaal heel opmerkelijk” vinden, maar beweren “dat er geen sluitend bewijs is”. Maar zoals u ziet, kijkt de Amerikaanse toezichthouder niet in het hoofd van beleggers. Het Amerikaanse O.M. doet niet aan gedachtelezen. Zij gebruiken veeleer bewijs.
Toen de verdachte de aandelen kocht, bleek dat hij 13 minuten daarvoor door zijn beste vriend was gebeld die hij sinds de basisschool kent. Ongeveer een uur later belt hij hem terug. Zij spreken zo’n 35 minuten, ook over de geheime overname-informatie.
Zo’n 16 minuten na dit gesprek boekt deze vriend USD 25.000 over naar zijn beleggingsrekening en belt hij zijn effectenmakelaar meerdere malen op. Circa een uur later probeert hij call-opties van het bedrijf te kopen. Lukt niet. De volgende dag, zaterdag, bericht hij per sms aan een ander dat deze de aandelen van het bedrijf en eventueel opties moet kopen, omdat de koers binnen enkele dagen door de overname zal stijgen. Hij bericht dat hij het heeft van zijn beste vriend die bestuurder is in het bedrijf. Verdachte wist dus, vanwege de functie van zijn vriend, dat die informatie geheim was. Welk briefje kon de Nederlandse toezichthouder ook alweer niet vinden?
Maandag probeert hij weer de call-opties te kopen. Lukt weer niet. Weer belt hij meerdere malen met zijn makelaar. Dinsdag lukt het hem eindelijk om 200 opties te kopen met een uitoefenprijs van USD 25 en vervaldatum voor maanden later. Hij was, aldus de toezichthouder, dus eigenlijk aan het voorspellen dat de aandelenkoers boven de USD 25 zou stijgen vóór de vervaldatum. Bijna een week later koopt hij nog 6 van dezelfde opties. In totaal voor circa USD 19.985,30. Bij bekendmaking van de overname stijgt de koers met bijna 50%. Na bekendmaking van de overname verkoopt hij de opties met een winst van circa USD 96.515,44, dus een rendement op zijn handel met voorkennis van bijna 500%. Beiden verdienden gezamenlijk volgens het O.M. en de toezichthouder meer dan USD 200.000 aan wederrechtelijk voordeel. Op 18 november 2025 bericht het O.M. dat de bestuurder erkent dat hij schuldig is aan handel met voorkennis. Zijn vriend doet hetzelfde op 31 maart 2026.
Dus op de vraag “Klopt het dat handel met voorkennis eigenlijk bijna niet strafrechtelijk aangepakt kan worden?” is het antwoord: ligt eraan aan wie je het vraagt. Voor de Nederlandse autoriteiten een vermeende “onmogelijke strijd”, voor de Amerikaanse niet. Kijken de Amerikaanse autoriteiten in het hoofd van de belegger of het bewijsdossier? Kijken we naar deze — dit zijn niet eens alle — details van deze 2 Amerikaanse zaken, zijn de uitspraken van de Nederlandse autoriteiten over het zogenaamd “onoverkoombaar bewijsgebrek” dan niet beweringen die, bij gebrek aan toetsing en kennis, algemeen worden aangenomen als waarheden? U mag het zeggen.
Voor alles over Amerikaanse beurzen, beurshandel, buitenbeurshandel, flitshandel, toezichthouders, algoritmische effectenhandel, Wet effectenhandel en nadere regelgeving, oplichtingsverbod, marktinstortingen en nog veel meer, zie het boek Duistere handelsplatforms en het recht van Amerika: toezichthouders, rechters, institutionele en particuliere beleggers, optimale uitvoering. Klik hier om het boek te bestellen.
Veel dank voor uw bezoek. Bij Plus Ultra hechten wij veel waarde aan de kwaliteit van juridische vertalingen. Wij waarderen onze cliënten ten zeerste en delen graag onze juridische en vertaalkundige vakkennis met u. Veel dank voor de donaties en voor het delen van Plus Ultra met anderen voor wie dit nuttig kan zijn. Het is door uw steun dat Plus Ultra gratis een bijdrage kan leveren aan onze geliefde mensen met waardevolle meertalige hulp en juridische en taalkundige artikelen en ook nuttige toeristische informatie en beelden. Nogmaals hartelijk dank voor uw steun en wij hopen u snel weer te zien.

Ontvang Plus Ultra’s nieuwsbrieven in het Nederlands.
Volg Plus Ultra op YouTube en TikTok om te genieten van onvergetelijke ervaringen en adembenemende plaatsen zoals u die hierboven ziet.
Meer informatie over Plus Ultra’s juridische, taalkundige en toeristische diensten in Colombia.
Benut Plus Ultra’s waardevolle juridische vertaaltips in het Engels en Spaans voor bij de Nederlandse notaris.
U zult zien dat onze naam, ideeën en publicaties worden gekopieerd of iets soortgelijks wordt gemaakt of geprobeerd. Plus Ultra herkent u aan de inhoud.
© Plus Ultra Juridische Vertalingen & Uitgeverij. Alle rechten voorbehouden.



